of:
home
zoeken
spoorkaart
spoorlijnen
tijdlijn
typen stations
reisplanner
nieuws
agenda
te koop
bronnen
links
literatuur
FAQ
contact
gastenboek
inloggen
overig
© disclaimer

D.H. Haverkamp

(1851 - 1921)

Op 6 januari 1850 werd D.H. Haverkamp geboren te Amsterdam en hij overleed op 19 december 1920, maar het is niet met zekerheid te zeggen waar (6). Haverkamp kwam op jonge leeftijd te werken op het bureau van de Amsterdamse kanaalmaatschappij onder leiding van ir. Justus Dirks. Hij was daar betrokken bij het ontwerpen en uitvoeren van het stoomgemaal te Schellingwoude waar ir. J.G. van Gendt jr. zijn chef was. In 1876, op het moment dat het Noordzeekanaal was voltooid, richtte J.G. van Gendt jr. samen met dr. Stieltjes een ingenieursbureau op in Amsterdam, dat echter geen lang leven was beschoren. Haverkamp kwam te werken op dit bureau totdat het opgeheven werd in 1877. Na deze ervaring ging Haverkamp werken op het bureau van P.J.H. Cuypers, die op dat moment bezig was met de bouw van het Rijksmuseum en hij leerde daar zijn toekomstige compagnon kennen.Naast zijn werk als architect was Haverkamp van de oprichting in 1901 tot 1910 mederedacteur van het bouwkundige tijdschrift De Bouwwereld. Ook publiceerde hij enige boeken en artikelen over allerlei technische aspecten van het bouwvak (7).Hoewel de biografische gegevens over Haverkamp maar zeer beperkt voorhanden zijn, lijkt de veronderstelling gerechtvaardigd dat zijn kennis en belangstelling voor architectuur voornamelijk betrekking hadden op problemen van constructie en techniek. Het is moeilijk te definiëren wat precies zijn taken op het bureau zijn geweest, maar er zou bij voorbeeld gedacht kunnen worden aan bouwkundige kwesties als funderingen en materiaalgebruik, maar ook aan iets als akoestiek.SCHILL EN HAVERKAMP: EEN PROFESSIONEEL BUREAUVoor zover bekend hebben Schill en Haverkamp altijd samen ontworpen; er zijn geen bouwopdrachten bekend die door één van hen afzonderlijk zijn uitgevoerd. Ook waren ze samen verantwoordelijk voor een aantal publikaties zoals een aantal toelichtingen op hun ontwerpen in de verschillende vaktijdschriften, het Bouwkundig woordenboek en de bijlage tot Van Gendt's bouwkalender. Bij deze laatste werd veel aandacht besteed aan zowel de toenmalige stand van de bouwtechnologie (verlichting, verwarming en ventilatie) als ook aan tal van aspecten van het vergunningenstelsel en bouwbepalingen (hinderwet, stoomwet, veiligheidswet etc.). Terwijl er over Haverkamp werd geschreven dat hij zo kundig was in het ontwerpen van plattegronden en dat hij praktisch onderlegd was, wordt Schill daarentegen geprezen om zijn kundigheid en smaak op het gebied van het interieur, zodat het voor de hand lijkt te liggen dat hij zich meer bezig hield met de vormgeving. Het feit dat de gevels van de Groote Club te Amsterdam door een andere architect, namelijk D.F. Slothouwer zijn ontworpen zou ook een argument kunnen zijn voor een technische en esthetische arbeidsverdeling binnen het bureau. De Groote Club werd voltooid in het jaar dat Schill overleed en omdat hij lange tijd daarvoor al ziek was, is het niet onlogisch te veronderstellen dat hij niet in staat was om zijn aandeel van de opdracht niet kon volbrengen (8). Het ontwerpen van gevels behoorde blijkbaar niet tot de taken van Haverkamp want er werd hiervoor een andere architect aangetrokken. Een artikel in het Bouwkundig Weekblad van 1912 laat een tekening zien van de gevels van de Groote Club die verschillen van die van Slothouwer en waarbij alleen de naam van Schill staat vermeld (9). Schill was dus wel begonnen met deze opdracht maar kon deze vanwege zijn ziekte niet afmaken.De samenwerking tussen Schill en Haverkamp weerspiegelt een belangrijk fenomeen in de negentiende eeuw, namelijk de dialectiek tussen techniek en kunst. Een dialectiek welke feitelijk inherent is aan het vak van architectuur, maar die in de negentiende eeuw door veel architecten als problematisch werd ervaren. Terwijl in ons land zich dit probleem pas tegen het einde van de negentiende eeuw openbaarde, waren de tegenstellingen in het buitenland al veel eerder aan het licht getreden (10). Aan de ene kant was er de vrees dat door een teveel aan techniek de traditionele waarden van de bouwkunst, die van het ambacht en de esthetiek, het onderspit zouden delven en dat zo de architectuur zou verdwijnen ten gunste van de ingenieurstechniek (11). Aan de andere kant waren er ontwerpers die de nieuwe technische ontwikkelingen toejuichten en probeerden die binnen het terrein van de architectuur te brengen. Het ziet er naar uit dat het jonge Amsterdamse bureau Schill en Haverkamp de eerder genoemde dialectiek tussen kunst en techniek uiterst pragmatisch en efficiënt tot de essentie van de architectenpraktijk heeft omgesmeed. Door het aan elkaar koppelen van de academische deskundigheid op het vlak van de heersende architectuursmaak aan de nieuwste stand op het terrein van constructie en techniek brachten ze een professionele differentiatie aan binnen het bureau.DE BOUWSTIJLENDe ontwerpen van Schill en Haverkamp zijn niet alleen zeer divers qua type maar ze zijn ook uitgevoerd in uiteenlopende stijlen. Schill hoorde tot de groep leerlingen van de eerste hoogleraar bouwkunde aan de Polytechnische School te Delft: Eugen Gugel. Deze was een promotor van de Hollandse renaissance en doordat een groot aantal van deze leerlingen later belangrijke functies vervulden bij de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst werd dit ook hier de mees passende stijl bevonden (12). Toch zijn er maar weinig voorbeelden van Schill en Haverkamp van deze Hollandse renaissancestijl. Het gebouw van de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst, dat Schill en Haverkamp ontwierpen in 1884 was vanzelfsprekend hierin uitgevoerd en verder is eigenlijk alleen het station te Vlissingen, met ornamenten die duidelijk geïnspireerd zijn op Hendrick de Keyser, een zuiver voorbeeld van deze stijl.De chaletstijl, de romantische bouwstijl die geïnspireerd was op de Zwitserse regionale bouwwijze (13), werd door Schill en Haverkamp een aantal keer gebruikt bij villa's en bijgebouwen met name in het villadorp Baarn. Deze landelijke en romantische bouwstijl werd door de architecten blijkbaar niet geschikt geacht voor stedelijke architectuur. De chaletstijl komt soms heel sober voor, zoals bij een villa in Hilversum, waarbij de enige decoratie bestaat uit iets overstekende dakranden en vakwerk, maar ook heel uitbundig zoals bij de villa Liliane in Baarn. Deze was rijk gedecoreerd met donkergebeits houtsnijwerk, gekleurd glas en een grote ronde toren.De meerderheid van de gebouwen is echter uitgevoerd in de stijl van het zogenaamde internationale klassicisme. Deze stijl waarvan de basis over het algemeen klassicistisch was kon verschillende decoratiemotieven hebben, zoals de Italiaanse hoge renaissance en de barok, en was altijd zeer monumentaal. kenmerkend hierbij is het gebruik van zuilen, frontons, mansardekappen, festoenen en serliana. In vrijwel alle grote steden in Europa en de Verenigde Staten is deze stijl, in verschillende variaties, terug te vinden. Het internationale klassicisme had direct te maken met de zogenaamde city-vorming, een proces dat in Nederland aan het einde van negentiende eeuw een belangrijke rol ging spelen, waarbij de stad en dan met name Amsterdam veranderde in een metropool. De woonfunctie werd verdreven uit de binnenstad en het zwaartepunt kwam nu te liggen bij zakelijke en culturele functies (14). De nieuwe gebouwen die hiervoor gebouwd werden moesten een grootstedelijke uitstraling hebben en het internationale klassicisme was daar door zijn monumentaliteit en internationale karakter zeer geschikt voor. Kosmos, restaurant van Laar en de eerste plannen voor de Groote club in Amsterdam, de Harmonie in Groningen en de plannen voor de schouwburg te Haarlem hadden allemaal te maken met de veranderde functies in de binnenstad en waren uitgevoerd in de stijl van het internationale klassicisme.KOSMOSHet verzekeringskantoor Kosmos werd gebouwd op een plaats, die op dat moment aan grote veranderingen onderhevig was. In korte tijd verrezen er in deze omgeving verschillende panden met een grootstedelijke uitstraling. In Vademecum wordt gesproken van een deftige omgeving en Kosmos wordt vermeld als zijnde een groot gebouw in de stijl van de Italiaanse renaissance (15). Er was in ieder geval bewust gezocht naar een monumentale en rijke vormgeving. Kosmos ligt op een zeer gunstige plek in de stad, gelegen op een hoek, aan een belangrijke doorgangsroute en goed zichtbaar vanaf een afstand en dit krijgt nog een extra accent door het koepeltorentje op de hoek. De gevels zijn zeer rijk gedecoreerd en de vier verdiepingen onder een mansardedak zijn allemaal verschillend. De begane grond wordt gekenmerkt door grote winkelruiten en twee rijk versierde ingangspartijen. De ingang naar de winkel heeft aan weerszijden twee zuilen met een hoofdgestel en een opengebroken fronton erboven en de deur naar de woning is gevat in een serliana. De eerste verdieping is vrij sober uitgevoerd in baksteen met natuurstenen banden. Het enige opvallende is een smeedijzeren balkonnetje boven de winkelingang. Op de tweede verdieping is de decoratie geconcentreerd om de vensters. Deze zijn voorzien van balusters en hebben halfzuiltjes met daarboven een hoofdgestel met fronton. De vensters in het halfronde torengedeelte zijn afgesloten met een boogje en worden gescheiden door pilasters. Deze vensters komen ook voor op de lage verdieping onder de kap. Het torentje is rijk versierd met zuiltjes en uitstekende koppen. Het geheel maakt een rijke en vooral ook een zeer kleurige indruk. Door de kleurstelling en vormgeving maakt Kosmos een schilderachtige indruk die goed aansluit bij omringende panden zoals bijvoorbeeld het tegenovergelegen "Nieuw Engeland" van A. Jacot en W. Oldewelt uit 1899.CANTONSchill en Haverkamp hebben buiten Amsterdam met name in Baarn veel gebouwd. Dit had misschien te maken met het feit dat er in Baarn aan het einde van de negentiende eeuw zeer veel rijke Amsterdammers woonden die luxe villa's voor zich lieten bouwen. Schill en Haverkamp ontwierpen in Baarn een aantal imposante en interessante villa's, waarvan Canton er één is.Canton werd gebouwd op de plaats waar aan het einde van de achttiende eeuw door een rijke handelaar een huis geheel in Chinese stijl was neergezet. Na vele malen van eigenaar te zijn gewisseld; zo was Canton enige tijd in handen van het koninklijk huis, kwam Canton in handen van August Janssen, die het in 1910 wegens bouwvalligheid liet slopen (16). Schill en Haverkamp kregen de opdracht om hiervoor een nieuwe villa te bouwen en alleen de naam herinnert nog aan zijn exotische voorganger. Canton is asymmetrisch van opzet en biedt door de afwisseling van naar voren springend-terugliggend en hol-bol van alle kanten een verschillende aanblik. De symmetrische gevel aan de oprijlaan heeft een sterk verhoogde middenrisaliet die, ook door de kantelen-imitatie en hoekuitkragingen, de indruk wekt van een toren. De ingang bevindt zich in deze 'toren' onder een verhoogd portiek met vrijstaande composietzuilen. Boven het hoofdgestel van het portiek bevindt zich een balusterbalkon met daarachter een groot venster met openslaande deuren, bekroond door een gebroken fronton. Links van de toren, tussen de vier vensters is een steen ingemetseld met daarop een voorstelling van het oude Canton. Achter deze steen bevind zich een loden bus met daarin een perkamenten oorkonde waarin de geschiedenis van Canton staat vermeld. De tuingevel is de belangrijkste gevel en wordt gedomineerd door twee naar voren springende delen. De paviljoens worden afgesloten door een topgevel met een hol-bol-hol profilering. De topgevels zijn zeer rijk gedecoreerd met oeil-de-boeuf, bekroond met een kuif en eromheen voorzien van krulwerk-reliëf. Tussen de paviljoens bevindt zich een terugliggend gedeelte met op de begane grond een halfronde open loggia met vier Dorische zuilen. Het linkerdeel van de tuingevel, dat verder terug ligt dan de rest, heeft op de begane grond een serre die bekroond wordt door een fraai koperen koepeldak. De samengestelde kap wordt duidelijk gescheiden van de muur door een uitstekende kroonlijst op klossen. De linker zijgevel is net als de rechter symmetrisch ingedeeld en heeft een versierde uitgang vanuit de eetkamer naar de tuin. De achtergevel is duidelijk niet representatief bedoeld en is, zoals vaker voorkwam, onregelmatig ingedeeld.De plattegrond van Canton is ook vrij asymmetrisch en opvallend is dat de dienstvertrekken zeer veel ruimte in beslag namen en dat deze optimaal gescheiden waren van de woonvertrekken. Er was zelfs een aparte dienstwoning voor de koetsier en de chauffeur, zodat die de villa niet hoefden te betreden.De villa Canton bestaat uit zware bakstenen bouwvolumes, gedecoreerd met motieven uit de rococo. Deze rijke neo-rococostijl komt in Baarn verder alleen voor bij de door Schill en Haverkamp ontworpen villa Rusthoek en ook in de rest van Nederland zijn dit soort villa's uniek. Schill en Haverkamp hebben deze stijl verder nog gebruikt bij twee riante stadsvilla's in Amsterdam. Er zijn geen directe voorbeelden voor deze villa's te geven, maar wel was er in het begin van de negentiende eeuw een tendens waar te nemen in Nederland waarbij de bouwkunst uit het eigen nationale verleden, en dan met name de zeventiende en achttiende eeuw, als inspiratiebron werd gebruikt. In het buitenland, en dan moet er vooral gedacht worden aan Duitsland en Engeland kwam dit al langer voor (17). Het boek van, de uit Duitsland afkomstige, Paul Mebes Um-1800, met daarin allerlei voorbeelden van bouwkunst uit zeventiende en achttiende eeuw, was voor deze beweging een grote inspiratiebron en daarom wordt deze stijl ook wel um-1800 genoemd. In Nederland werd deze stijl o.a. gebruikt door de architecten J.W. Hanrath, J. Stuivinga, M.A. en J. van Nieukerken (18).SLOTHet architectenbureau Schill en Haverkamp dat actief was in de laatste decennia van de negentiende eeuw en de eerste jaren van de twintigste eeuw was in deze jaren, ook commercieel gezien zeer succesvol. Voor hun tijdgenoten waren Schill en Haverkamp vakmatig gezien, bekwame architecten en hun gebouwen oogstten veel lof. Schill en Haverkamp maakten echter niet alleen kwalitatief interessante gebouwen, ze speelden ook nog eens een belangrijke rol bij twee fenomenen die de modernisering van Nederland omstreeks 1900 bepaalden: city-vorming en suburbanisatie. Het is daarom zeer opvallend dat dit architectenbureau niet terug te vinden is in de architectuuroverzichten. Dit heeft echter niet in eerste instantie te maken met de architectuur zelf, maar met het vertekende beeld dat de architectuurgeschiedenis geeft van deze periode, waarin alleen Berlage en Cuypers de moeite van het vermelden waard worden geacht.

Ontworpen stations door D.H. Haverkamp

1892 Vlissingen stationsgebouw II Gesloopt in 1944